zondag 18 januari 2026

Als patiënt


 

Op deze plaats heb ik het via Houellebecq en Rushdie en Haidt en Ross en Savitzkaya vaak geopperd: het zou een aardig spelletje zijn om op basis van het gebruikte Nederlands een vertaler te lokaliseren of in een generatie onder te brengen. Ditmaal zou dat alleen een katholiek gedoe worden, want ik weet toevallig al waar vertaler-essayist Piet Joostens vandaan komt.

Toch wil ik geen spelbederver zijn omdat de titel die hij deze keer aan een Nederlandstalig publiek schenkt belangrijk is én bij mijn weten, een cultuurbijlagetip van 197 woorden niet te na gesproken, met plechtige stilte is ontvangen: de futuristische roman Het wetboek van Perelà (1911) door Aldo Palazzeschi. Nochtans ging Joostens, heel verstandig met alle klimaatveranderingen, niet over één nacht ijs. Zijn eerste vertaalfragment dateert van 2008, uitgerekend in een dossier over literaire kritiek.

Het zinnetje dat mij in de boekversie opviel, telt veertien woorden: ‘Als die ons in het vizier krijgen, zal het onze beste dag niet zijn.’ Feitelijk gaat het me om de tweede helft. Misschien heb ik in Noord-Nederland niet goed opgelet, of zelfs te weinig ruzie gehad, maar pas in Vlaanderen heb ik de frase gehoord, als afsluiting van een dreigement.

Bij mijn weten gaat ze gepaard met de u-vorm: ‘Dat zal uw beste dag niet zijn.’ De drie Nederlandse varianten die me te binnen schieten, gebruiken juist de je-vorm. Ook laten ze tegelijk elk iets over de vermeende volksaard zien:

 

‘Dat zal je duur komen te staan’ (economie)

‘Dat zal je lelijk opbreken’ (ruimtelijke ordening)

‘Dat zal je nog bezuren’ (moralisme)

 

In de verwante uitdrukking ‘Dan zijn de rapen gaar’ schuilt uiteraard een hele culinaire traditie, maar ze geldt een nader te vergaren aantal vervloekte eters die dan ook onvermeld blijven.

Interessant vind ik verder dat het eerste persoonlijk voornaamwoord ‘die’ en het bijhorende werkwoord ‘krijgen’ in Joostens vertaling formeel incorrect zijn maar correct klinken. De constructie verwijst naar het onzijdige en enkelvoudige ‘gepeupel’. Wanneer er echter had gestaan ‘Als dat in ons vizier krijgt’, was het ongeloofwaardig geweest. Gevoelsmatig en omdat het hier om spreektaal gaat.

Het grootste gedeelte van Het wetboek van Perelà bestaat, net als het fragment waaruit ik de zin tilde die zelf tussen aanhalingstekens stond, uit dialogen. Voor mij, vanuit een polyfoon poëzieproject, is dat een bewonderenswaardige prestatie, omdat vertellerstekst makkelijker weg schrijft. Bijzonder aan Palazzeschi’s boek is bovenal een Twitter-avant-la-lettre-touch: die spreektalige uitspraken zijn schier steevast gericht tegen de hoofdpersoon die zelf zelden iets zegt. Zelfs zijn naam Perelà is door derden toegekend.

En daar komt het grote drama. Luttele jaren later schreef Kafka Het proces, waar de hoofdpersoon om onduidelijke redenen gearresteerd wordt en uiteindelijk quasi-legitiem vermoord. In Het wetboek van Perelà mag de held eerst om onduidelijke redenen rekenen op ophemeling, heeft op het toppunt van zijn macht vervolgens niets te maken met een zelfmoord van ene Alloro, en krijgt na een absurd proces de schuld. Hij fungeert als heus projectiescherm.

Kan er even een cultuurindustriële grootheid anno 2026 opstaan om, voordat het zijn of haar of hets laatste dag zal zijn, dit boek aan te bevelen bij het middenstandsgepeupel, liefst in meer woorden dan ik hier van plan ben te gebruiken? Liefst ook met wat knetterende adjectieven en met harde garanties van actualiteit en urgentie, vol ideale aanschaf voor bureau, koffietafel of performative-reading-locatie?

Aan de herziene versie uit 1958, die Joostens voor zijn vertaling heeft gebruikt, is als slotwoordje iets universeels toegevoegd: ‘Hahaha!’ Loopt het dus beter af dan in Het proces? Van Josef K werd het lijk in een kuil gegooid, terwijl door bemiddeling van de koning de 33-jarige Perelà in een gevangenis mag. Daar treft zijn trouwe vrouwe Oliva di Bellonda van hem niets anders aan dan twee laarzen bij een schoorsteen. (In mijn studententijd was het kantoor van onze studiecoördinator eens onbemand terwijl zijn sandalen er stonden – onwillekeurig richtte mijn blik zich opwaarts.)

Die schoorsteen is geen overbodig decorstuk. Feitelijk bestaat de hoofdpersoon uit 100% lucht. Een onzichtbare man! Zou Ralph Ellison dit Palazzeschi-boek hebben gekend? De staat waarin Perelà verkeert geeft, meer dan een eeuw later, een bijsmaakje aan de veramerikaanste Nederlandse taal. Bijvoorbeeld als een hofarts hem niet kan genezen, al was het omdat hij geen hart- of polsslag kan vinden, en besluit geen ‘mannen van rook’ meer als patiënt te aanvaarden. 

 

Culpa (19 jan.)

Is de harde schijf van mijn geheugen definitief kaduuk? Josef K sterft ‘als een hond’, zoals Het proces eindigt, terwijl in de slotzin van Malcolm Lowry’s Under the Volcano over de vermoorde Consul staat ‘Someone threw a dead dog after him in the ravine.’

 

vrijdag 9 januari 2026

Ik had een paar duidelijke


 

 

 

Thomas Heerma van Voss bundelde in De prullenmand heeft veel plezier aan mij interviews die lekker weglezen. Omdat ze over iets zo complex als literatuur gaan, is dat misschien opmerkelijk. Maar in het boek spreekt bijna exclusief de biografische persoon achter de auteur, op gevorderde, in principe werkluwe leeftijd ook. Bijna vijftig jaar na dato benaderde Heerma van Voss namelijk nog levende medewerkers die anno 1977 hun bijdrage aan De Revisor leverden in de vorm van een getekend zelfportret.

Het toenmalige literaire-tijdschriftinitiatief weet aan de interviewer de heden niet geheel onobligate kanttekening te ontlokken dat de man-vrouwverhoudingen scheef lagen, en dat mensen van kleur er niet te vinden waren. Indien hij echt had uitgezoomd was het Heerma van Voss allicht ook opgevallen dat De Revisor geen notie van Vlamingen had, op Ivo Michiels na. Maar zo’n zelfkritische beweging past deze bundel niet. Bij de Amsterdammers onder de geïnterviewden laat Heerma van Voss niet na te vertellen of hij hun straat kent of in hun buurt is opgegroeid.

Mij frappeerde dát die locaties opduiken. Ze suggereren intimiteit, die andermaal bevestigt hoe ver de autonomistische school inmiddels verwijderd is van de norm. Een genretechnisch overeenkomstig boek als Scheppen riep hij gaat van Au (1965) door H.U. Jessurun d’Oliveira stamt in verhouding uit de middeleeuwen, uit een ambachtsatelier. Wellicht valt De prullenmand heeft veel plezier aan mij beter te scharen onder de hausse aan biografieën. Conform aan de huidige zeden voorspelt Heerma van Voss’ achterflap een ‘smakelijke literatuurgeschiedenis’ en maakt die belofte letterlijk waar. Elk gesprek vermeldt wat auteur en interviewer drinken (bijna altijd thee) en welke koekjes of soesjes erbij geserveerd zijn, en of in de woordenstroom de geïnterviewde tijd vindt om ze te eten.

 

Stutten

Deze schrijvers blijken bijna allen spraakwatervallen. Voor zover ze het niet zelf zeggen, legt Heerma van Voss de reden daarvan bloot: ze zijn eenzamerig en staan niet meer in de belangstelling. Hij is dus ook hun verlosser – meer dan eens eindigt een gesprek met de vraag aan hem om nog eens langs te komen of in elk geval contact te houden. Er hoort een motief bij van communicatiemiddelen. Deze auteurs bezitten zelden een smartphone of laptop. Ze moeten het stellen met oude, slecht werkende bakbeesten van computers, en foeteren op internet dat alles, kennis én verbondenheid, kapot heeft gemaakt. Toch oogt niemand cynisch; veeleer leeft men, mede door gezondheidsproblemen, in het besef van vergankelijkheid, ook van generaties. En zonder zicht op publicatie schrijven velen voort.

Door deze opzet kan Heerma van Voss om boeken heen laveren. Ze functioneren louter als kapstok voor anekdotes over triomf en mislukking, uitgeverssores of mediasteun. In de psychologiserende biografietjes achter in het boek moeten de geïnterviewden zelf hun favoriete eigen titel geven. De ondertitel Schrijversportretten toen en nu is dus goed gekozen. Destijds een beeld van de schrijver, nu de taal van het portret. Als in het mooiste gesprek van de bundel Jan Kuijper aan Heerma van Voss vraagt of hij een bepaald (recent bij een niet-Amsterdamse uitgever verschenen) boek van hem ter voorbereiding heeft gelezen, pareert de interviewer of dat dit de verwachting had mogen en kunnen zijn. Waarna de geïnterviewde met een anekdote komt die zijn ontzagwekkende eruditie relativeert.

Wanneer ook Heerma van Voss oprecht was geweest, had hij zich geout als cultureel ondernemer bij wie tijd geld is. Naast dit project, dat hij startte als freelancer voor het Literatuurmuseum Online, is hij columnist bij De Lage Landen, gastdocent Creatief Schrijven op de VU en kunstmedewerker van De Groene Amsterdammer. Achteraf redundant merkt hij in zijn inleiding op dat hij zijn stukken niet wilde ‘stutten met veel jaartallen, titels, feitjes, stijlanalyses of geëxpliciteerde dwarsverbanden’. Een motief in dit boek is zijn bevreemding als meer geportretteerden, als waren ze schoolmeesters en andere wereldvreemden die in een studeerkamer of achter een scherm te vinden zijn, eerste versies zorgvuldig corrigeren. Feiten en toewijding rijmen allicht te sterk met de geregeld gememoreerde gouden tijd van de Nederlandse boekencultuur, van de jaren zestig tot negentig.

Heerma van Voss wilde, mijns inziens terecht, niet romantiseren. Maar had dat moeten leiden tot debunking? Nu laat hij auteurs babbelen over een tijd waarin ze culturele betekenis hadden én laat ze bij hun geheugenverlies namen beloven en behinten, die hij niet opzoekt. Zo sardonisch ontvouwt zich deze literatuurgeschiedenis, met leeslint en zonder register of bibliografie. Zo wordt evengoed ‘ontlezing’ een banaal begrip. Bovenal blijft het een aanleiding tot persoonlijke relazen en tot een beschrijving van uitpuilende bibliotheken. Daarbij ontdekte Heerma van Voss, naast de eenzijdige samenstelling van de Revisor-tekenaars van dienst, nog iets. Keer op keer bleek ‘dat elegant ouder worden een kunst is, een precair proces waar de ene schrijver beduidend meer talent voor heeft dan de ander’.

 

dinsdag 30 december 2025

De zichtbare nederlaag




 

Een geweldige zin: ‘Op wandelvakanties pelt hij onderweg een ei en rolt dat over zijn bezwete voorhoofd, voor het zout.’ Ik trof het aan in Mirjam van Hengels Ganzentijd. Dit boek over de dood van haar vader houdt zich op in een autobiogenre dat me niet ligt, maar blijkbaar weet Van Hengel me te overtuigen. De zin karakteriseert op een wijze waarin diverse reacties open worden gelaten. Voor sommige lezers zal de vader inventief zijn, voor andere lezers wordt hij een zonderling. Knap vind ik de komma, die de ruimte ook daadwerkelijk schept. Bij de rolgewoonte vragen sommigen zich allicht af waarom ze geschiedt, anderen moeten juist bevestigd worden in de hint.

Van Hengel kan in Ganzentijd intiem worden door afstand te houden en zorgvuldig te selecteren. Sporadisch gebruikt ze een citaat, dat ze pas achterin toeschrijft en dan nog minimaal. Over het proces dat ze samen met haar vader richting zijn overlijden ingaat, indiceert het boek dat ze er al onderweg notities over maakt. Van Hengel noemt die ‘sleutelgaten’, een motief dat artistiek door Vijftigers-essayist Paul Rodenko werd geduid. In Ganzentijd doemt het op via het gedicht ‘Januari 1943’ door Vijftiger-dichter Remco Campert, waarvan ze het einde een sleutelgat noemt. Bovenal rijmt de blik daardoorheen met het turen door een kijkertje dat vader als vogelaar gewoon was en waarmee het boek opent; voor deze twee Van Hengels blijkt Peterson’s vogelgids de Bijbel.

Bij afstand en selectie hoort voor mij registerkeuze – in het begin spreekt Van Hengel al over ‘de liefde bedrijven’. Verderop toont de tekst een harde montage, kalm en kritisch in- en uitgeleid, van het curriculum vitae dat de vader op gevorderde leeftijd over zichzelf opstelde. Het is uiteraard een onvoltooide tekst, die zijn dochter vervolgens afmaakt. Dan tracht ze uiteraard zijn stijl te benaderen, met veel tussenhaakjes.

Hoe groot het verschil met een ander boek dat recent op mijn weg kwam: Lize Spits Autobiografie van mijn lichaam. Daarin wordt ook een ouderlijk overlijden (van de moeder) herdacht en is er ook een tekstmontage (van Lizes oude dagboeken), maar het resultaat is, in meer opzichten: dikte. Alles wordt gezegd, in één voortdenderde stijl die details en evaluaties van gevoelens in beeldspraken blijft aandragen. Misschien is het daarom eerlijker Autobiografie van mijn lichaam te vergelijken met Maria Vlaars overvolle Zwagerman-biografie. Ik wist me er geen raad mee en, onbekend met de openbare ruimte die door sociale media zal zijn geherdefinieerd, voelde me na lectuur een oude puritein.

Ergens in een zeer geheim typoscript las ik dat Rilkes begrip Weltinnenraum, ‘wereldbinnenruimte’ dus, tegenwoordig wel eens wordt vertaald als ‘binnenwereldruimte’.

Bijna dacht ik al uit de tijd gevallen te zijn, tot het toeval me nog een kakelverse biografie bracht: Groots is de liefde. Daarin portretteert Jacqueline Oskamp componist Louis Andriessen. Zijn leven was langer en rijker, minder honkvast en van groter cultureel belang dan dat van Zwagerman. Toch heeft Oskamp veel minder pagina’s nodig om de figuur van Andriessen op te roepen. De componist was net als de betreurde auteur een vaardig netwerker, die bij ellende ook terug kon vallen op een Harde Kern van echte vrienden. Wel vielen in zijn volkomen artistiek milieu blijkbaar vanzelfsprekend seksuele escapades voor en werden ze vergeten, al hield ook deze womanizer lijstjes met prooien annex veroveringen bij. In Oskamps boek spelen die vrouwen een marginale rol – en worden de meesten slechts opgevoerd bij de voornaam, al dan niet veranderd voor de privacy.

donderdag 18 december 2025

Zeer taai-taai

 

 

 

Al tijdens het lezen van haar bijna achthonderd pagina’s drong zich aan mij steeds luider één grote vraag op: waarom heeft Maria Vlaar acht jaar van haar leven opgeofferd aan een Joost Zwagerman-biografie? Natuurlijk, ze had literaire nevenactiviteiten en haar arbeid werd vertraagd door corona die het niet toeliet 42 archiefdozen in het Literatuurmuseum uit te spitten. Maar toch, steeds blijkt dat ze Zwagermans oeuvre weinig bijzonder vindt, dat zijn spectaculair ogende bestaan geleefd werd door een verboekte huismus en dat ze in hem dan wel sympathieke trekjes ontwaart maar grotere porties mannelijke hypocrisie – die ze, als ik me niet vergis, ruim vóór verschijnen aankondigde.

Of zou Vlaar verrast zijn geweest door de reacties op Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman die zich toespitsten op het drukbezette, met blitse namen gedecoreerde liefdesleven van de auteur tot en met de experimentele deelname aan een pornofilm? Waarom richtte ze zich bij haar speurtochten ook nog tot een Amsterdamse kioskhouder bij wie de auteur wel eens ‘vieze blaadjes’ kocht? En hoe bestaat ze het om het zoveelste plaatselijke relletje te vergezellen van de noot ‘of dit roddels zijn of waarheid laat ik in het midden’?

Zelf motiveerde Vlaar haar titanenklus gelukkig niet alleen uit een vraag van de uitgever. Ze wees op een generatieverwantschap met Zwagerman (1964 vs. 1963) en op een vergelijkbaar katholiek nest in West-Friesland. Haar boek kan ook worden opgevat als een zoektocht naar culturele overlappingen en restanten van levensbeschouwelijkheid. Toch moet in de loop van haar onderzoek vervreemding zijn ontstaan die, gepaard aan haar eruditie en stilistisch vermogen, een spannend en gelaagd boek had kunnen opleveren dat een stuk dunner was geweest. In plaats daarvan onthult Vlaar haar ware indruk na een van de zeer vele signalementen van Zwagermans disparate tekstproductie:

 

‘In een column over “De denkwereld van 2040” voorspelt hij in 2008 al dat schrijvers tegen die tijd helemaal niet meer bestaan, en literaire nalatenschappen geen waarde meer hebben; er is dan “vermoedelijk een computerprogramma dat na de input van een handvol woorden en persoonsnamen, en na een keuze voor het gewenste “verhaalprogramma”, een oneindig aantal “verhalen” produceert, toegesneden op de wensen en fantasieën van de individuele consument.” Hij voorziet wat AI zal gaan beteken en voorspelt in één ruk door zijn eigen toekomstige overbodigheid.’

 

Allicht bedoelt ze dat laatste niet letterlijk, maar wanneer ik uit Zwaag lering probeer te trekken, dan lijkt me dit dicht bij de kern te komen.

 

Vooroordelen

Een ander merkwaardig besef dat zich bij kennisname van Zwaag van mij meester maakte, is dat Vlaar heel wat informatie niet heeft geraadpleegd. Deels ligt dat buiten haar schuld, suggereert de verantwoording: ‘De volgende personen wilden niet geïnterviewd worden voor dit boek: Sandra Derks, Bram Bakker, A.F.Th. van der Heijden, René Huigen, Bert Nubé, Thijs, Koen en Daantje Zwagerman.’ Allicht had hun medewerking meer persoonlijke anekdotes en inzichten gebracht. En literaire nuances kunnen geven, al vraag ik me af of Vlaar daar wel naar op zoek was.

De geslaagdste hoofdstukken uit het boek gaan over Zwagermans opinistentijd en over zijn finale depressie. In het ene geeft hij vanaf diverse podia commentaar op binnen- en buitenlandse politieke ontwikkelingen en vernemen we iets over de gevolgen die zijn interviewrol bij Zomergasten had, nadat Ayaan Hirsi Ali er de film Submission in première liet gaan. De mens Zwagerman krijgt daar door alle banale bijeffecten ineens diepte omdat hij moreel moet handelen. In het andere hoofdstuk beleven en begrijpen we, mede dankzij Vlaars verteltalent, hoe iemand gestaag en zonder pardon in omstandigheden kan komen die nopen tot zelfmoord. Het is tegelijk een aanvulling op én steun voor het controversieel geachte boek De langste adem (2020) van voormalig echtgenote Arielle Veerman.

Dat mij aldus slechts een fractie van Vlaars boek boeit, hoe bedreven ook gemaakt, ligt uiteraard aan mijn verwachtingen. Zwaag biedt als gezegd allerlei biografica, maar die interesseren me niet en soms vind ik ze niet publicabel. Toch had ik gehoopt bij Vlaar daarnaast nieuwe interpretaties van romans, verhalen en gedichten aan te treffen. Juist op dat basale vlak schiet deze biografie voor mij tekort. Haar toevoegingen betreffen passages die autobiografisch gelezen kunnen worden en die interviewbeweringen over het waarheidsgehalte weerleggen.

Het grote verhaal vertelt Vlaar na, en dan ook nog gedeeltelijk. Ze maakte namelijk de keuze louter recensies op de afzonderlijke werken in beschouwing te nemen. Het gevolg demonstreer ik met één voorbeeld. Gaandeweg ontstond van de literair auteur het beeld dat hij, zeker als romanschrijver, snel zijn kruit verschoten had en bij gebrek aan inspiratie een goed verdienende mediafiguur werd. Uitgaand van recensies valt de loop van dat repeteergeweer niet bij te buigen. Dus is er bij Vlaar geen ruimte voor de rehabilitatie die Thomas Vaessens aan de prozaïst Zwagerman bood in zijn studie De revanche van de roman (2009). Het enige moment waarin deze hoogleraar in de biografie opduikt, is als poëziecriticus van de bundel Bekentenissen van de pseudomaan, wiens kritiek door de besprokene niet werd verdragen en verleidde tot een uitval – de zoveelste die karakterieel tekenend moet wezen.

Op die wijze blijft ook Zwagermans passage door het postmodernisme bij Vlaar bleekjes. Ze ontleent inzichten over deze nog altijd van vooroordelen wasemende stroming aan contemporaine theorie (zoals van Annemarie [sic] Musschoot op de DBNL) en aan losse primaire werken die in de jaren tachtig en negentig ermee werden geassocieerd. Een tweede literair-historische goudmijn boden de Maximalen, de dichtersgroep van wie Zwagerman zich opwierp als woordvoerder. Zwaag vertelt er best veel over, maar het lijkt wel of de poëzie zelf, tenzij in de algemeenst mogelijke termen belicht, buiten beeld moet blijven.

In plaats daarvan kanaliseert Vlaar haar energie om strubbelingen en vetes in de groep aan het licht te brengen. Wie daarvan houdt, is spekkoper. En wie er Zwagerman-psychologie aan wil verbinden, heeft de biografe vaardig geleid naar één van de zeven gezichten die hij zou hebben: die van de onderwijzer. De opper-Maximaal blijkt punten te hebben uitgedeeld aan zijn bentgenoten op de competenties ‘persoonlijkheid en poëzie’. In die lijstjes valt niet alleen op dat Zwagerman geen al te hoge dunk had van kameraden met wie hij revolutie beweerde te maken, maar ook dat zijn cijfers akelig precies zijn – Arthur Lava, man van het eerste uur, krijgt voor ‘poëzie’ een 7-.

woensdag 10 december 2025

De poëtische kracht en nuance

 

 

 

Buzz in neerlandistisch letterenland: de gratis pdf’s van de Bulkboeken zijn foetsie! Na een overname moeten scholieren die generatie na generatie literatuur uit alle tijden leerden kennen en van wie nu wordt verwacht dat ze daar ‘leesplezier’ aan ontlenen, de mastercard uit een ouderlijke portefeuille trekken. Blijkbaar hoeven we ons toch geen zorgen te maken. In een comment werd Bulkboek dan wel ‘een sterk merk’ genoemd, een ander comment stelde gerust dat er archives en platformen bestaan waarop downloads nog mogelijk zijn. Dat bespaart alvast grote woorden, die tegenwoordig zo vaak en misplaatst de ronde doen, over uitwissing en censuur.

Alles verdwijnt, natuurlijk, maar werkt internet het in de hand? Als ik me beperk tot het zojuist genoemde vak, dan dringen, ongetwijfeld willekeurig, voorbeelden zich op. Al tijden geleden bleek dat het veelbesproken project van de Lezeres des Vaderlands, die man-vrouwverhoudingen in kritieken natelde en becommentarieerde, in het web was verzwonden. Een goed recht. Toch viel niet te ontkennen dat het anoniem gehouden project voortkwam uit de boezem van de neerlandistiek en dus ´op kosten van de belastingbetaler´. Het bleek bovendien te worden geciteerd in minstens één wetenschappelijke bron en figureert soms nog in expliciet ideologische argumentaties.

Onlangs ontdekte ik dat ook de veelbesproken Personagebank spoorloos is. Nazoeking onderstreepte dat mijn geheugen weer een bedrieger is, ik wist al dat dit project offline was. Allicht had ik dat verdrongen, omdat op gezette momenten de lust naar kennis groter blijkt. Dat dit dan gefrustreerd wordt mag geen probleem zijn, maar de Personagebank fungeerde als een breekijzer, een bewijs van een nieuw paradigma dat in een Engelstalig wetenschappelijk tijdschrift geconstrueerd werd – en daarna bediscussieerd, evengoed in een zijdraad-van-een-zijdraad door mij.

Waarom blijven dergelijke stille manoeuvres onbelicht? Ik ga ervan uit dat er niet alleen neerlandici bij betrokken waren, maar ook dat zij actief deze projecten in de vergeetput gooiden. Toegegeven, het vak verkeert in zwaar weer, het blijkt te moeten gelegitimeerd tegenover bezuinigingen die al tot onderbezetting zullen hebben geleid. Ook ben ik niet de geloofwaardigste figuur voor bovenstaande vraag nadat ik neerlandici uitriep tot serieuze kanshebbers bij het Olympische onderdeel meelopen. Alleen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze minstens zo goed zijn in het altijd verleidelijke wegkijken (en mogelijk in het opsteken van Facebookduimpjes).

Een heuse recente verdwijning doemde voor mijn ogen op toen ik voor de finale van een exercitie tegen de lijstjescultuur een hyperlink wilde leggen. Naar een artikel waarin Joris Note duidt hoe Jozef Deleu de erfenis van Jeroen Mettes naar zich toetrok. Maar Google noch DuckDuckGo noch Ecosia bood uitkomst. Ik meende dat het artikel op DeWereldMorgen stond. Op de pas vernieuwde website blijkt het echter afwezig. Net als iets dat daar zeker op heeft gestaan en dat echt van groot belang is om wat van de contemporaine literatuur, recensiecultuur en bedrijfsvoering te snappen.

Het betreft een gekender artikel van Note dat zelfs NRC Handelsblad haalde als serieuze kritiek op David van Reybroucks Congo. In het besef dat deze bestseller uit 2010 ook onder connaisseurs louter aan status heeft gewonnen en dat de receptie heden bestaat uit een compliment à 40 woorden van Peter Sloterdijk dat het enige betrof wat hij er in jaaroverzicht van zogeheten Beste Boeken over te melden had, is het bizar dat de meer dan vijfduizend woorden, exclusief bibliografie, onvindbaar zijn geraakt. Niet alleen toont Note hoe de geschiedenis in dit boek werd vergoelijkt en herschreven in een gelatinestijl, ook legt hij kwestieuze argumenten bloot waarom het Vlaams Letterenfonds bij de overheid ‘een extra budget’ aanvroeg om het te vertalen.

Minstens zo bizar dunkt me dat DeWereldMorgen op de vernieuwde website wel een signalement heeft behouden van het essayboek Wonderlijke wapens (2012) waarin Note dit stuk bundelde. Hij deed dat sensatieloos, door op de achterflap in de reeks namen die hij behandelt ‘de vermoorde Congolese premier Lumumba’ te vermelden, aan wie hij, in relatie tot Aimé Césaire, nog een essay wijdde. Wel is dit boek inmiddels verramsjt. Wat nu? Gelet op de richting waarin het genre zich ontwikkelt, is de kans miniem dat het essay nog ergens opduikt, terwijl Notes kanttekeningen relevant blijven.

donderdag 4 december 2025

De trucs van oplichters


 

Terwijl bij de vorming van een nieuw kabinet mevrouw Yeşilgöz volhardt in het bijkneden van betekenis tot wensdromen, liet een column van Maxim Februari vorige week al uitschijnen dat de rest van mijn landgenoten in Dichtbijistan-aan-Zee evenmin stilzit. ABN Amro heeft namelijk Het oplichtings ABC gepubliceerd. De spatie in die titel zuigt me probleemloos in deze materie. Nu is ‘materie’ een interessanterig woord, maar de brochure vraagt erom. Pagina 2 suggereert al dat ik bepaald niet de eerste de beste ben:

 

Introductie

 

Oplichters proberen op allerlei manieren aan geld te komen.

Sommige manieren bestaan al heel lang. Andere manieren zijn nieuw.

Soms worden slachtoffers persoonlijk benaderd.

Maar vaak gaat het via de telefoon, via e-mail, via sms of via een app.

 

Het is belangrijk dat je weet hoe oplichters werken.

Dan heb je het misschien door als iemand jou oplicht.

De trucs van oplichters hebben vaak moeilijke namen.

De uitleg is soms ook lastig te begrijpen.

Daarom hebben we nu een lijst gemaakt in makkelijke taal.

In deze lijst staan veel verschillende soorten oplichting.

 

De namen van deze soorten oplichting zijn vaak nog steeds moeilijk.

Maar die namen hoef je niet te onthouden.

Het belangrijkste is dat je de trucs van de oplichters herkent.

Dan is de kans kleiner dat je slachtoffer wordt.

 

Geloof het of niet namelijk, ik ben zo beroepsgedeformeerd dat ik dacht een sonnet voorgeschoteld te krijgen. Wat een bank! Ja, ik wil rijk worden als ik groot ben. ‘Beroepsgedeformeerd’  is trouwens ook geen kinderachtige term, waarin mijn digitale spellingscontroleur adviseert een spatie aan te brengen.

Blijkbaar komt de redelijkheid bij mij na een paar seconden en dringt het besef door dat hier iets op een toegankelijke wijze wordt verteld (r.9, in een traditioneel sonnet dus na de sjuut). Mocht ik minder gulzig zijn geweest, dan had ik de PISA-promillages kunnen afleiden uit de ondertitel van de brochure: Verschillende manieren van oplichting uitgelegd in makkelijke taal. Normaliter rijdt mijn brein over vele alledaagsheden heen, maar hier is het secuur. Ultrakorte alinea’s helpen de toegankelijkheid van een tekst.

Zo luidt althans de theorie, die Februari’s krant even later met een compleet (tot in de grafieken aangrijpend) artikel op ‘referentieniveau 1F’ zou staven. Merkwaardig vind ik dan de ervaring dat door zo’n tekstaanzicht mijn begrip wordt bemoeilijkt – het begint me wat chaotisch te worden. Maar dat zal een defect aan mijn brein zijn, of generatiegewijs horen bij non-digital-natives die in dito, zin per zin afgevuurde verbreide WhatsAppberichten van digital natives de weg schijnen kwijt te raken. Na een kleine reset en inspanning snap ik alsnog wat er staat.

Ondertussen bevestigt het illusiesonnet de indruk dat tijdens de discussies over genderneutrale voornaamwoorden de u-vorm stilzwijgend de benen heeft genomen. Ook een deftige bank spreekt in 2025 zijn klant aan met ‘je’. Even evident toegepast dunkt me een aangrenzend fenomeen, waarvoor Maartje Lindhout me in 2016 de ogen opende: het wenken met ‘jou’.

En het loopt als een tierelier! Ik citeer: ‘Het is belangrijk dat je weet hoe oplichters werken. / Dan heb je het misschien door als iemand jou oplicht.’ Door die nadruk aan het slot zou iedere lezer zich aangesproken moeten voelen om de brochure door te nemen. Februari had dat al gedaan en zelfs zijn brein was niet altijd mee. Dus zal ik me beperken tot twee details.

woensdag 19 november 2025

Zachtjez

 


 

 

Ben ik eens enthousiast over een bundel, dan blijkt iedereen het te zijn geweest. Nu ja, het handjevol dat ‘de’ poëziekritiek bemenst. Dan ben ik toch confuus. In dit literair klimaat is bijvoorbeeld Menno Wigman op het zadel der eeuwige klassiekerigheid gehesen, en stuiten critici reeds in het begin van Addertje op: ‘tegen de avond laten de gierzwaluwen in het zwerk / zich in slaap wiegen door een of andere thematiek’.

Anders gezegd kan Jolanda Kooijmans makkelijk worden beticht van meligheid en metabewustzijn, twee onhebbelijkheden die mij na aan het hart liggen. Maar hoe pakken ze uit? Gelukkig is Addertje overvol, zonder verantwoordingsvertoon van het ontleende of eventueel voorgepubliceerde, zonder motto of millennialdankwoord of zelfs maar een inhoudsopgave. Vier afdelingen. Ze zijn volgens mij stripverhalen. Laat ik dan één tekening onder de loep nemen:

 

we kijken vaak teevee, de oude man en ik

voor wat vibratie in de avondpooz

ook nu

op zekere avond

in de late herfst van de late jaren 1970

 

een uitslaande brand

oorlog, kettingbotsing, moordpartij

landweg bezaaid

accordeonmuziek

mensen in lange rijen deinen met de ellebogen in elkaar gehaakt

applauz!

we nemen bona mee

ome Drie begint zachtjez te snurken

 

dan opeens krsjkd! grdsjgr! qfcrsrr!

 

sneeuw

 

even geduld a.u.b.

 

sneeuw

 

even geduld a.u.b.

 

Voordat ik aan het eind van de openingsstrofe begrijp wanneer ze speelt, wist ik het al (dit is een vreemde zin). Vanwege de spelling van ‘teevee’, à la Doe Maar. Die Centraal-Oost-Noordbrabanders begonnen dan wel pas goed in de jaren tachtig, maar waren toen al ouder en hadden de voorspoed van het decennium dat Kooijmans hier oproept achter zich gelaten. ‘De bom’ markeerde een ontnuchterde mentaliteit.

In de vrolijkheid van de jaren zeventig ontwaren historici gewoonlijk een knik, die in 1979 met geen mogelijkheid meer terug te buigen viel. Neoliberalisme kreeg voet aan de grond. De ‘late herfst’ zou je dan symbolisch kunnen lezen, maar ze ging destijds letterlijk zo over de tong, naar aanleiding van de doodbloedende acties van de RAF.

Ook vanuit de gedempte revolutie, begonnen in de jaren zestig, klinkt het woord ‘vibratie’ gedateerd, en ‘ávondpooz’ natuurlijk helemaal, bekrachtigd door de spelling. Het is al geconstateerd: die eind-z doordesemt deze hele afdeling, passend palindromisch Zuuz geheten. Zelf hoor ik hier, over televisie gesproken, de dictie van Swiebertje, over wie wel is beweerd dat zijn idioom dat van Wilders voedde. En alleen al de naam Zuuz heeft iets hardzachts, zoals eerder in de bundel het personage Herfstbro niet helemaal noncha is.

zondag 2 november 2025

Roeien met een pollepel


 

 

VVD-leider Dilan Yeşilgöz was nog minister van Justitie, toen ze een paniekerig whatsappje van Lale Gül erg aardig beantwoordde: ‘Snap ik helemaal!! No worries!’ De hele passage valt te lezen in het boek Ik ben vrij en de twijfelkont in mij heeft nooit kunnen beslissen of die dubbele uitroeptekens dan wel dat spreektalige Engels meer bijdragen aan de clash tussen taalregister en ambt.

Het zou me benieuwen hoe Yeşilgöz scoort op de test die De Standaard nu aanbiedt: ‘Hoe noncha is jouw Nederlands?’ Bij ons thuis heeft elk gezinslid deze meerkeuzevragen beantwoord, om te zien wie ‘mee is met het hipste’ dat Generatie Z serveert. Het ging om straattaal en afkortingen, met schijnbaar veel Surinaamse en Engelse invloeden. Ik geloof niet dat ik erg verrast was als slechtste van het gezin te hebben gepresteerd noch dat onze benjamin won, wel dat ik ex aequo eindigde met mijn verloofde die nochtans een decennium jonger is en die een smartphone heeft.

Uiteraard spraken we over onze uitslagen. Mijn verloofde verdedigde haar wanprestatie met het feit dat ze de bedoelde taal zelf niet inzet en er uit haar bubbel te weinig van aangeleverd krijgt opdat het kan beklijven. Onze jongste gebruikt de taal evenmin maar wordt er veel mee geconfronteerd. Ze was eigenlijk teleurgesteld niet nog hoger te hebben gescoord. Zoals ik voor mezelf stiekem gehoopt had op een beter resultaat, omdat ik me drie jaar geleden bezig heb gehouden met Het Smibanese woordenboek 2.0 van professor Soortkill.

Omgekeerd raak ik er steeds scherper van doordrongen mijn vocabulaire niet als vanzelfsprekend te beschouwen bij het lesgeven. Zodra ik studenten raar zie opkijken zonder dat mijn gulp openstaat, neig ik ertoe zojuist uitgesproken woorden te herhalen, met de vraag: wat betekenen ze? Nu weet ik dus dat niet iedereen ‘mee is’ wanneer ik rebbel over waterlanders of over parafraseren. Zoals mij de term patta bekend is maar doekoe niet. Dat deed toch een beetje pijn, omdat ik elk jaar wel de DE-reclame toon waarin twee oude dames ze bezigen.

Nog even los van mijn geloofwaardigheid als docent, en misschien als auteur: moet de conclusie zijn dat mijn geheugen faalt, of dat ouderen steeds minder soepel nieuwe data weten op te slaan of dat taal pas wordt beheerst wanneer ze, vanuit een passieve woordenschat, plaatsneemt in de dagelijkse uitstoot?

Ik durf het niet met zekerheid te zeggen. Net zoals ik de enquête afsloot met een lange natte scheet omdat er ter afsluiting opinies op de schaal van Richter werden gevraagd bij statements over de staat van het Nederlands tegenover het Engels en over de wenselijkheid van straattaalinvloeden. Met heel mijn belabberde geheugen staat me niet bij eerder met zoveel stamina telkens ‘geen mening’ te hebben aangeklikt.

vrijdag 24 oktober 2025

Gemiddeld gezien


 

 

Is het uitzonderlijk dat de wortelkleurige een vergadering met Zelensky vloekend en tierend heeft doorgebracht? Ja, wanneer hij de machtigste man op aarde zou zijn: een terechtwijzende blik of een tikje met de voorzittershamer kan volstaan. Nee, wanneer het fenomeen vergadering tot de basis wordt teruggebracht: een uitwisseling van ideologische inzichten die tot een besluit moeten leiden.

Bij een groter aantal deelnemers moeten die inzichten allicht met enig aplomb worden gebracht voor het besluit met consultancyenthousiasme wordt aanvaard. Misschien tekent dat aplomb zelfs de setting. Persoonlijk heb ik nog nooit iemand ontmoet die graag vergadert. Dus is het denkbaar afkeer te bezweren en te overwinnen door, zoals dat heet, actief te participeren, desnoods via visibiliteit. Zoiets vertelt T. van Deel:

 

De wolk

 

Wat zijn wolken bedrijvig, ze groeien

tot kool en sterven in stralend blauw

waaruit ze altijd weer op kunnen staan.

Ze vergaderen rond toppen van bergen,

vervluchtigen boven het dal, niet vast

ligt wat ze er zeggen, ze zijn met zo

velen en hangen te wisselend samen. De

mooiste wolk is alleen in een lucht –

en een wind waait hem over de aarde.

 

Dit gedicht is opgenomen in Achter de waterval (1986) maar stond al in 1983 in het literaire tijdschrift De Revisor. Een quasi-idyllisch predigitaal tijdperk zonder beslisbomen. Zelf moet Van Deel vergaderervaring hebben opgedaan op de afdeling Neerlandistiek van de UvA, waar hij had gestudeerd en sinds 1971 gewerkt. Ze stond in de revolutiejaren bekend als een woordrijk activistisch bolwerk.

In de beeldspraak van het gedicht weet Van Deel knap de uitdrukking ‘gebakken lucht’ te vermijden. Zijn betoog oogt mild. IJverige en ernstige beweringen vervliegen door zo’n overleg uiteindelijk. Uiteraard lanceert de slotzin die relativering expliciet en daardoor absoluut, maar een typisch enjambement als ‘vast / ligt’ ondermijnt vergaderpertinenties evengoed.

Er bestaat meer poëzie over dit merkwaardige bedrijvigheidsritueel, en telkens wordt het er anders mee belicht. Eén zinnetje volstaat soms al. In het beruchte gedicht ‘Losgeld’, dat Ruth Lasters in 2022 als docent met wat leerlingen samenstelde om het verschil tussen zogeheten A- en B-stromen aan te kaarten, staat de nogal retorisch klinkende vraag:

 

En wie is nu het slimst, iemand die weet
waar de Aconcagua ligt (vraag uit De slimste mens ter wereld)
of wie het hele stroomschema kan tekenen en uitvoeren
voor een schoolkeuken, het Sportpaleis, Wetstraat-vergaderzalen?

 

De implicatie luidt dat vergaderen een serieuze hobby is van theoretisch geschoolde onnozelaars die geen schroevendraaier van een hamer kunnen onderscheiden. En omdat ze zich ophouden in een straat te Brussel waar de Belgische premier resideert, hebben ze bovendien macht en invloed. Ze doen hun ding dan ook niet in spreekwoordelijke achterkamertjes maar in heuse zalen met beamers en meer van die smarte spullen, ten dienste waarvan stroomschema’s wel het minste zijn.

Zelf maakte ik de overgang mee van papier (‘de vergaderstukken’) naar PowerPointpresentatie (‘de tabellen bij puntje 3’). Mijn brokkelige geheugen weet nog het moment en het lokaal op een eerste verdieping waar dat geschiedde. Net was een oudere collega hijgend binnengekomen die moest aansluiten bij ‘het voorstelrondje’, toen er half boven onze ogen licht begon te gonzen uit een groot scherm.

Het was een wonder en dat is het voor mij altijd gebleven. Voor dit soort bijeenkomsten zul je inderdaad topzwaar A*** geschoold moeten zijn. Allicht kan ik als man sowieso niet multitasken, maar op het moment dat er tekst voor mijn neus wordt geprojecteerd, lukt het me niet meer om te luisteren. Ik zie louter nog eigenaardigheden in stijl, grammatica en spelling. Misplaatst, de clash van ideologische inzichten vereist alle vrijgemaakte hersenruimte voor de tactiek. Vergaderen is het voortzetten van een oorlog met andere middelen.